| » intro | » parenteel Nederlof |
Nederlof
“De
naam Nederlof vindt zijn oorsprong in Sliedrecht.
In
de eerste eeuwen van onze jaartelling bestond de Sliedrechtse dijk
nog niet.
De
Alblasserwaard was een streek zoals de Biesbosch nu is; eilanden en
platen.
De
nederzetting Slydrecht ontstond aan de zuidelijke oever van de
Merwede, temidden van die moerasachtige gronden.
Door
veelvuldige overstromingen werden de bewoners gedwongen om naar de
noordelijke oever te verhuizen.
Iedere
gebruiker van een stuk land werd in die nieuwe nederzetting de
verplichting opgelegd een bepaald stuk dijk te bouwen, een dijkvak,
dat hij daarna zelf moest onderhouden.
Uit
een giftbrief van Floris V, gedateerd april 1277, mag worden
aangenomen, dat toen de bedijking reeds tot stand was gekomen.
Het
Sliedrecht van nu, tot dan toe gewoon buitenland, kwam dus omstreeks
1277 binnen de zogenaamde “Hooge-Dijck”te liggen.
Leendert
Tijsse Boer – de stamvader van de Nederlofs – gebruikte voor het
eerst de naam Nederlof bij zijn aanstelling als ouderling van de
Hervormde kerk.
Dat
was in 1696.
Daarna zie je dat in sommige akten de naam Boer wordt doorgestreept en wordt veranderd in Nederlof.
Al
vanaf 1704 werd door de afstammelingen van Leendert Tijszn de naam
Nederlof gebruikt.
Ook
hijzelf wordt steeds als Nederlof vermeld, hoewel in diverse akten
nog de naam Boer of Leendert Tijszn Stadhouder geschreven werd.”
(uit: : “Het geslacht Nederlof”- K.Blokland en J.D. Van Es – Sliedrecht 1994)
Lof = loof, bladerdos (Middelnederlands woordenboek)
Leendert Tijsse Boer heeft de naam Nederlof waarschijnlijk ontleend aan een laag gelegen stuk land, begroeid met bomen, dat zijn eigendom was.
Bij de volkstelling van 1947 werd de naam Nederlof 895 maal geregistreerd. In 2007 waren dat 1.393 personen. (Ned familienamenbank - Meertens instituut)